Het regende.
Soms mot, soms hard.
Hij genoot met volle teugen.
Hij was een meneer,
met een regenjas,
en een paraplu.

Hij keek speurend naar de lucht,
altijd beducht
voor opklaringen.
Daar heb je niets aan,
als zijnde een meneer,
met een regenjas,
en een paraplu.

Ik had hem iets willen vragen.
Was hij altijd zo geweest?
Droeg zijn moeder een zuidwester,
en legde ze hem in de wieg,
met een regenjas,
en een paraplu?

Of had hij dit zelf gekozen,
had een bureau hem getest,
en gezegd:
“Jij wordt het gelukkigst,
als meneer,
met een regenjas,
en een paraplu.”

Maar je weet het nooit.
In de hemel wordt er beschikt en
soms waait je geluk weg.
Ook al volgt depressie
op depressie,
eens breekt de zon door.
Dan sta je voor schut,
als zijnde een meneer,
met een regenjas,
en een paraplu.

Ik heb geen baat bij depressies,