De leeuw lag.

De zon brandde.

De leeuw bleef liggen

 

De leeuw dacht.

“Het is te warm,

ik moet uit de zon.

Ik kan opstaan,

dat kan ik wel,

straks”

En de zon brandde.

 

De leeuw dacht.

“Ik kan ze aan,

die jonge blagen.

Nog wel.

Kwamen ze maar.

Dan stond ik op,

en zou ik brullen.

Het stikt hier van de mieren”

 

De leeuw lag.

Er kwam niemand.

De zon brandde.

En het stikte van de mieren.

 

De zon ging onder.

De mieren gingen slapen.

Het was een goede dag geweest.