Jij bent een grote hond,

ik ben een kleine mens,

en wij lopen altijd samen.

Jij weet hoe ver we mogen,

en dan draaien we om.

Jij gaat liggen, ik ga liggen,

met mijn hoofd op je buik.

 

In mijn bed is ook een hond.

Daar mag je niet op liggen.

Dan gaat hij stuk.

Het is een knuffel.

 

Zo zit het dus.

Jij bent een hond.

Knuffel en ik niet.

Hoe kwam ik daar achter?

Weet ik niet meer.

 

Nu ben ik een groot mens.

Ik lijk niet eens op een hond.

Zeggen ze.

Mooi laten kletsen.