We hebben dingen samen.

Gelukkig maar,

we zijn toch vader en zoon.

 

Ik kan je vertellen

over de heide,

de beek met ijsvogels,

een grafheuvel voor een koning.

 

Je knikt, glimlacht,

Je was daar ook vaak,

met mijn moeder.

 

Mooie herinneringen,

maar ze zijn voorbij.

 

Je wilt ook lezen wat ik lees

maar je valt steeds in slaap

met je hoofd op het boek.

 

En dan ineens: lepelaars!

Gewoon hier bij het veer.

Wil het je vertellen, schrik,

want je bent er niet meer.

 

Maar je blijft me verbazen.

Ik bekeek een mooi platenboek,

over vogels natuurlijk,

en jij was er ook.

 

We groeien uit elkaar,

en weer naar elkaar toe,

ook al leef ik,

en jij niet meer.