Voor Lian

Een dichtopdracht,
is als een appel,
en een ei.

De muziek jubileert:
een kwatrijn spuit er uit
als uit een gesprongen waterleiding
bij invalllende dooi.

Het dorpshuis wordt opgefleurd,
met nieuwe frisse kleuren!
Daar zit veel werk aan.
Dat wordt wel een sonnet.

Maar nu komen ze aan,
met mijn band met de Rijn.

Dit keer en vormvrij vers.
Probeer haar vooral niet in te dammen.

Ik ben naar haar toegegaan,
om te vragen hoe zij ons ziet.

Ze is vlak bij,
en ik zie haar graag.
Onze relatie is me nooit diep genoeg.

” Hoe zie je mij?”

“Als je op de pont staat heb je haast.
Dan heb je geen oog voor me”

“Dat valt wel mee.
Ik zie best
dat je elke dag anders bent”

“En laatst liep je op de zomerdijk
Je mompelde en zag niets.
Ik dacht nog,
pas op, je glijdt zo uit.
Je bent de jongste niet meer!”

“Toen liep ik te piekeren”

“Waarover?”

“Ik weet het niet eens meer”

“Maar soms sta je op een krib,
s’ochtends vroeg of s’avonds laat.
Je bent dan één en al oog.
Daar wordt ik soms verlegen van.”

“Dan zie ik meestal ijsvogeltjes,
maar ik sta er vooral voor de bevers.”

“Wat moet je nou met bevers?
Ruw volk, ze maken veel rommel.”

“Ja, maar ik zie ze hier voor het eerst.
Soms denk ik dat ik hun staart hoor flappen.
Maar dat ben jij, die een golf maakt.”

“Hi hi, en daar trap jij altijd in.”