Kleine dichter kijkt naar grote dichter

als het er echt op aan komt.

“Er zou een Ode aan de Woorden moeten zijn,

maar die heb jij toch al wel geschreven?”

 

En ja, grote dichter heeft odes geschreven

over alle elementen van het leven:

het koper, het atoom,

de tijd, het licht,

en de triestheid.

En ook over de kleren

de elke morgen

trouw op ons wachten,

nadat we ze s’avonds

slordig op een hoopje hebben achtergelaten.

 

Maar geen Ode aan de Woorden.

Wel een Ode aan het Woordenboek,

Maar dat is tochjuist  hun gevangenis!

 

“Dat kun je toch niet maken!

De woorden zijn nog trouwer

dan de kleren.

Je kan er alle dingen in opbergen,

en als je er iets anders in wil stoppen,

dan vinden ze het ook goed!”

 

Kleine dichter zag een Grote taak, en ging zitten

Voor een Ode aan de Woorden.

 

“Woorden zijn toch prachtig!

Ik noem maar wat.

Wie wordt niet verleifd op het woord  ‘wietie’

afkomstig uit het rotwelsch.

Daar hebben ze één woord

voor ‘eerlijk’ en ‘dom’.

Zo ziet men dat in rotwelsch.”

 

Ja woorden zijn prachtig, maar voor de Ode

liet geenéén zich vangen.

En kleine dichter zat daar  maar.

 

Er floot een tjiftjaf, die geen woord nodig had

om te zeggen wie hij was.

Daar zit een gedicht in!

En hij zag toen ook,

dat de meidoornhaag al rood kleurde.

“Als ik ga wandelen

heb ik zo een bundel bij elkaar”

 

Maar voor de Woorden kwamen geen woorden.

Zou zelfs een kleine dichter ze verlegen maken?