Ik harkte oud blad .

Ineens zag ik   je.

Je stak je kop net boven de grond,

Maar je bloem schemerde al door.

 

Je was nog zo jong, dat ik dacht

dat ik wel indruk kon maken.

“Zou je dat wel doen?

Je bent zo pril,

En er zit nog kou in de lucht.”

 

Maar ik had eigenlijk moeten stamelen:

“Je bent er. Eindelijk.

Ik hield het haast niet meer uit.”

 

Elk jaar ben ik bang.

“Stel je voor dat ze niet meer komen.”

“Wie weet er nog goden,

die we gunstig kunnen stemmen?”