Voor Rijanka

 

Ik loop in het bos met een lief.

Vocht van de mist druipt langs de laatste bladeren.

 

Het was net zulk weer toen jij stierf,

en je bent er weer even.

 

Je was een meisje dat graag vogels keek,

maar voor mij was je  niet een milde moeder.

 

Het meisje dat vogels kijkt loopt met ons mee.

Je zult wel altijd ergens in mijn hoofd blijven.

Lief vertelt

van knoestige boeren en vrolijke knechten

die haar vooraf gingen

en nu nog achter haar aan lopen.

 

Het wordt een menigte in het bos.

We voelen ons ingewikkeld

door jullie gemaakt.

 

Lief en ik nemen stiekem een zijpad,

hopen dat jullie het niet zien

door de mist.