Stop haar niet.
Zij moet op weg.
Zij wil aankomen
bij haar doel.
Aankomen
is haar doel.

Ze kijkt om,
daar komt ze vandaan,
daar schijnt de zon.

Ze kijkt vooruit.
Daar wil ze aankomen.
ook daar schijnt de zon.

Haar weg is rond.

Ze kijkt waar ze is.
Haar hond is er.
Haar hond is aangekomen,
want het ruikt naar hem.
Daar heeft hij voor gezorgd.

Om aan te komen heb je nodig
een goede neus.