Hij zocht Iets.

Hij was alleen.
Het was stil en hij was stil en luisterde,
hoopte dat hij een stem zou horen.
Er kwam niets.
Hij haalde zijn schouders op,
misschien was Iets niet in hem.

Toen ging hij naar buiten.
Het was druk op straat.
Hij trok zijn schouders nog verder op,
deed zijn handen in zijn zakken,
net als de anderen.

Iemand riep:”ik heb Iets gehoord!”
De meeste mensen liepen door,
hij bleef staan, en nog een paar.

Zij geloofden het.

“Heb je het gehoord? Hij heeft Iets gehoord”.
Ze gingen rond, en riepen het uit:
“Hij heeft iets gehoord!”

De meeste mensen haalden hun schouders op.
Je hoort wel vaker wat.
Een enkeling liep met hen mee,
en begon ook te roepen.
” Iets.”
Ze kwamen een andere groep tegen,
die ook riepen.
“Zij heeft Iets anders gehoord!”
Dat ging niet goed,
beter een blokje om dan maar.

Ze liepen steeds verder,
en ze liepen alle kanten op.
Toen was hij alleen.
Het was stil en hij was stil en luisterde.