Ik had een droom.

Ik herinner me mijn stem:

“Ik wil niet dat ze me zien,
ik wil niet dat ze iets zeggen
tegen mij.

Waar kan ik heen?
Waar kan ik onder wegkruipen?
Wanneer komt de nacht?
Wanneer komt de stilte?

Ik wil weg.
Ik zit vast.”

Het ging nog verder door,
maar de rest ben ik vergeten.

Lang klonk het na.
“Ik!” en nog meer
“ik”.

.Ik kon een kurk op de droom doen.
Laten zitten, hoor!

Stop haar niet.
Zij moet op weg.
Zij wil aankomen
bij haar doel.
Aankomen
is haar doel.

Ze kijkt om,
daar komt ze vandaan,
daar schijnt de zon.

Ze kijkt vooruit.
Daar wil ze aankomen.
ook daar schijnt de zon.

Haar weg is rond.

Ze kijkt waar ze is.
Haar hond is er.
Haar hond is aangekomen,
want het ruikt naar hem.
Daar heeft hij voor gezorgd.

Om aan te komen heb je nodig
een goede neus.

Beminde gelovigen,
Vandaag is het feest van de heilige Judas.
Ook hij was een volgeling van de Heer.
Hij offerde zich op
opdat het Plan kon worden uitgevoerd
zoals het was vastgelegd door de profeten.

Want dat is wat Sint Judas ons leert.
Wij moeten ons voegen in de rijen en kolommen,
vol vreugde over de orde van het Plan.

Lang werd de heilige Judas miskend en beschimpt,
geketend getekend in de diepste krochten van de hel,
en wij allen wentelden in wanorde.

Pas nu hebben wij het licht gezien,
in de tabellen van het plan.
Die tafelen ons tonen,
dat wij niemand zijn dan wie gepland is.
Nu pas zien wij in hoeveel wij Judas verschuldigd zijn.
Dertig zilverlingen is niet voldoende
voor een Plan, wat het plan ook is.
Het Ware Plan kost meer,
het kost ons hebben, en ons houden.
Voor minder doen we het niet,
om de Orde te doen excelleren.

Judas heeft zijn hebben en zijn houden gegeven,
om ons de vreugde van rijen en kolommen te leren kennen.

Amen

Hij zocht Iets.

Hij was alleen.
Het was stil en hij was stil en luisterde,
hoopte dat hij een stem zou horen.
Er kwam niets.
Hij haalde zijn schouders op,
misschien was Iets niet in hem.

Toen ging hij naar buiten.
Het was druk op straat.
Hij trok zijn schouders nog verder op,
deed zijn handen in zijn zakken,
net als de anderen.

Iemand riep:”ik heb Iets gehoord!”
De meeste mensen liepen door,
hij bleef staan, en nog een paar.

Zij geloofden het.

“Heb je het gehoord? Hij heeft Iets gehoord”.
Ze gingen rond, en riepen het uit:
“Hij heeft iets gehoord!”

De meeste mensen haalden hun schouders op.
Je hoort wel vaker wat.
Een enkeling liep met hen mee,
en begon ook te roepen.
” Iets.”
Ze kwamen een andere groep tegen,
die ook riepen.
“Zij heeft Iets anders gehoord!”
Dat ging niet goed,
beter een blokje om dan maar.

Ze liepen steeds verder,
en ze liepen alle kanten op.
Toen was hij alleen.
Het was stil en hij was stil en luisterde.

Wat deed je, die dag?

Er schijnt een bleke zon,
maar die is warm genoeg
om me blij te maken.
UIt de straat komen geuren,
koffie en warm brood.

Morgen zal ik niet meer zien.

Nooit meer een bleke zon,
nooit meer de mist en het land.

Ze zeggen dat dit land van hun is.
Ik ken geen ander land.

Vanavond gaan wij hun doden.
Vanavond ga ik dood.

Ik kan niet meer terug,
de anderen weten mij te vinden.

Nog minder dan een dag
is mijn leven.
Wat moet ik er mee.?

Een druildag in een mistland.
Zo warm is die zon nou ook weer niet.

Was dat alles?

Dichten over dichten:
niet doen in een open tijd!

De toegang is open,
de wetenschap ook.
De gegevens worden gegeven
open en bloot.
De macht is zelfs zo open
dat je er door heen kunt kijken!

Daarom vind mijn muze het niet goed,
zo’n dicht gedicht.

“Kijk maar verder.
Kijk over de rand van je tafel.
Daar ligt de wereld open.”

“Een open gedicht,
is dat wel goed?”

“Wat is dat?”

“Alles wat iedereen wil.”

“Als het lukt
is het goed.”

Ik stapte de wereld in, en hoorde een stem:
“In wat voor wereld denk je dat je leeft?
Die anderen zijn boos.
Daarom zijn we boos.
Als het gedicht open staat
wordt het ook boos.
Maar het moet wel kiezen,
ons boos of hun boos!”

Ik vluchtte gauw terug achter mijn tafel.
“Open, dicht, boos, wat moet ik schrijven?”

“Vraagtekens misschien?”

Het regende.
Soms mot, soms hard.
Hij genoot met volle teugen.
Hij was een meneer,
met een regenjas,
en een paraplu.

Hij keek speurend naar de lucht,
altijd beducht
voor opklaringen.
Daar heb je niets aan,
als zijnde een meneer,
met een regenjas,
en een paraplu.

Ik had hem iets willen vragen.
Was hij altijd zo geweest?
Droeg zijn moeder een zuidwester,
en legde ze hem in de wieg,
met een regenjas,
en een paraplu?

Of had hij dit zelf gekozen,
had een bureau hem getest,
en gezegd:
“Jij wordt het gelukkigst,
als meneer,
met een regenjas,
en een paraplu.”

Maar je weet het nooit.
In de hemel wordt er beschikt en
soms waait je geluk weg.
Ook al volgt depressie
op depressie,
eens breekt de zon door.
Dan sta je voor schut,
als zijnde een meneer,
met een regenjas,
en een paraplu.

Ik heb geen baat bij depressies,

Gebruiksaanwijzing Achronos tijdslijnspinner versie ∞

Gefeliciteerd met de aanschaf van de Achronos tijdslijnspinner versie ∞.

Met verouderde producten verliep de tijd in een rechte lijn,
de kortste verbinding tussen de punten.
Geboren – verliefd – verloofd – getrouwd – gescheiden – dood.
Dat was het.

Met ons slimme algoritme loopt de tijd zoals u wilt.
O, u weet niet wat u wilt? Geen zorg.
Dat weet het algoritme.
Slim toch?

Werking

Houd deze instructies bij de hand zolang de tijd duurt,
om een ongestoord verloop te verzekeren

 

Installatie

Plaats de Achronos tijdlijnspinner versie ? op een plek
waar het prettig toeven is.
Dat speekt toch voor zich?

Waarschuwing

Gebruik uitsluitend onze originele draden.
Er zijn draden in omloop afkomstig van onbetrouwbare marktpartijen
zich noemende schikgodinnen.
Die lopen nooit goed af.

Schiet op problemen

Ons algoritme door de beste dichters is gerijmd.
Toch kunnen er zich problemen voordoen.
U kunt ons dan bellen. Maar let op.
Voor u het weet raakt uw tijdslijn verstrikt met de onze.
Dat wilt u toch niet?
Ga daarom eerst de volgende punten na.

Probleem:
U kunt het niet meer volgen.
U snapt niet hoe al die apparaten werken.
U snapt niet waar ze zich druk om maken.
Diagnose:
Uw tijdlijn is verder dan u.
Oplossing:
Dat hoort bij het leven. Wij leveren alleen tijd.
Het leven valt niet onder onze garantie.

Probleem:
Het verleden achtervolgt u.
U zit bijvoorbeeld in het cachot
omdat Krelis de Kromme had lopen stropen
op het land van de markies.
U had deze schuinsmarcheerder ontmoet
toen u uw stamboom uitzocht.
Nu draait hij u een loer

Diagnose:
Uw tijdslijn zit in de knoop.

Oplossing:
Probeer het begin te vinden.
Men vertelt ons dat daar het paradijs is

Probleem:

Alles staat stil.
Ook uw gedachten.

Diagnose:
De tijd staat stil.
Oplossing:
Niet nodig.

In alle andere gevallen kunt u bellen.
Wij hebben een nummer.
Maar zou u dat wel doen?
Ondertussen gaat het leven door,
langs u heen.
Belt u maar niet.
Wij hebben geen tijd

Klappertanden valt niet mee .
Steeds zit er een snor in de weg, of lippenstift of een glimlach.
Geeft niet. Wacht een paar jaar.
Dan kun je eeuwig klappertanden
zolang je schedel bij elkaar blijft.
De dood lost alles op: klappertanden, je hypotheek, roept u maar.

Nou ja, bijna alles.
Het kusprobleem blijft: altijd zit die neus in de weg.
En als je neus is vergaan heb je ook geen tong meer.
Kussen moet nu.
Niettegenstaande onze neuzen.

Is de liefde goedertieren,
en zoekt zij zichzelf niet?

Wel nee.

De liefde is een markt.
Je geeft, en je neemt.
Wie het meeste overhoudt,
die heeft gewonnen.
Dat weet iedereen.

Ik ben maar eens gaan kijken,
s’morgens vroeg, op de markt.
Iedereen was druk bezig
met de mooiste kraam .

Er lag vis, fris fruit,
lompe hompen vlees,
geurige kruiden ertussen,
en alles was te koop.

Achteraf stond een oude man,
hij was te laat opgestaan.

Hij verkocht de herfst.
Eekhoorntjesbrood,
Mispels en morieljes.

Later liep ik langs,
ze riepen uit hun kraam:
“wie maakt mij los!”

En iedereen raakte los,
behalve de oude man.
Hij stond in het donker,
blij met zijn spullen.

Hij hield van de herfst.
Maar niemand wist nog,
hoe je die klaar maakte.

Ik mocht het zeggen:
hij heeft gewonnen!
De anderen waren alles kwijt,
en hij hield van de herfst

Gisteravond liep er al een vos door de velden,

in het schuine licht.

Er scheerden eerst zwaluwen over, en daarna vleermuizen.

Nu is de zon net op, het licht is nog gesluierd.

In de haag zijn winterkoninkjes druk:

weer een nieuw nestje bouwen.

Door de velden loopt een konijn

dat  weet van geen vos.

Je mag hier allemaal bij zijn als mens,

als je maar stil bent.

Stil? Wij?  Vergeet het!

We komen er aan,  met onze bajonetten,

en rijten  buiken open.

We graven kuilen voor kanonnen.

We schieten bulderend paarden kapot,

en soms ruiters.

Onze generaals drinken champagne,

en laten het sein  blazen

voor een  tactische aftocht.

De vos komt vanavond maar niet.

Hij vindt het nog te link.

Maar morgen is er weer sluierlicht,

zijn er weer winterkoninkjes,

en konijnen.

Het landschap is de slag al vergeten,

en herstelt van de slagen.

Een wandelaar vraagt zich later af,

waar die puisten vandaan komen.

Nu je het zegt,

daar stonden de kanonnen.

Stil!

Twee mensen zien elkaar die van elkaar hielden

houden.

Jouw woorden vertellen een verhaal dat iedereen verstaat.

Hun gezicht vertelt een verhaal dat zij alleen kennen.

 

Nu is het weg. Het zijn weer gezichten van mensen

die wachten op een bus.

 

Je kon je mond niet houden.

Rome, Forum Boarium

 

Dit is de plek, dit is de oude stad.

Twee oude tempels,

een pleintje bij de rivier, veel bomen.

Iets verder een oude brug,

die de oevers niet meer raakt,

en een eiland met oude kerken.

 

De goden weten het niet meer,

bestaan ze nog?

Maar niemand let op hen.

De mensen lopen verder.

Want daar is  een leeuw,

nou ja, zijn kop,

en ach, hij is maar van steen.

 

De bek kan dichtklappen,

als je je hand er in legt,

en een leugen zegt.

Er staat een rij liefdesparen,

die twijfels hebben.

 

“Het is gewoon een oud putdeksel,

toch?”

 

Hercules is een simpele ziel.

“Het is maar een spelletje,

spelen dat je trouw bent,

veel leuker dan in het echt”

Vesta de stookster weet beter.

 

“Hoe weet je dat?”

 

“Dat weet ik gewoon”

Hercules heeft niet zoveel ervaring

op dit punt.

 

De rij is zo lang

dat het gaat vervelen.

Dus dan maar weer die ruzie.

 

 

“Die tempel is rond,

Dus hij is van mij.

Ik ben van de ronde dingen.”

 

Alles aan Vesta is vurig en rond,

daar wordt Hercules verlegen van.

En al staat in alle  boeken

dat het zijn tempel is,

hij durft niets te zeggen ,

gooit het over een andere boeg.

 

“Laten we godenspel doen,

Een sterveling in de war brengen.

Dat doe je als je ruzie hebt.”

 

Maar ze hebben geen macht meer.

Er lopen alleen volgelingen,

van tandenborstels op stokken,

of van ballonnen.

“Zijn dat onze nieuwe collega’s?”

“Nee, ze zitten vast aan reisleiders,

daar is niets goddelijks aan.”

 

Dan zien ze een oude man,

die niets lijkt te volgen

dan oude stenen.

“Zullen we die nemen?”

“Nee, daar is niets aan.

Die verdwaalt al zonder ons.”

 

“Waar wil hij naar toe?

Al die oude plekken,

wil hij terug?

Zou hij willen

dat wij er nog toe deden?”

 

“Maak je niets wijs,

Die tijd is niets voor hem.

Alle marmer op zijn plek,

de beelden kakelbont,

dat wil hij juist ontlopen.”

 

“Hij wil snuiven

aan heel oude weemoed,

meer niet.”

 

 

Macht

Kracht

Slacht

Verdacht

Praal en pracht

 

Ik wilde eigenlijk een vast gedicht maken,

netjes rijmen in de maat.

Maar wat er op macht eindigt

dat wil ik niet weten

 

Waarom rijmt macht niet op

 

Snoeshaan

Kinderspel

Plank

(zo eentje voor de kop)

 

Dan maar geen rijm?

 

Maar toch…

 

Lacht

Zacht

Aandacht

 

Het is gewoon even zoeken

 

Dit vel is leeg.

Nu u het zegt:

dit vel was leeg.

Nu staat er:

“Dit vel is leeg.”

(enzovoorts)

 

Wij hadden bedacht

(wij van het dichten)

hoe het moet:

wij stromen leeg,

en het vel vol.

Dan sta ik

op mijn vel,

en jij

op het jouwe.

En wij,

wij staan er bij

en kijken er naar.

 

Maar wat nou?

Een groot rotsblok

op de weg!

Nu is het vel de baas.

Het blijft leeg,

want dat is wat het wil.

En wij,

wij blijven nergens.

 

Ja, we mogen nu overal heen.

Geef me een heel pak lege vellen!

We mogen nog alles worden,

op jouw vel,

of het mijne.

 

 

Voor drie mestkalveren die ik in de wei zag staan toen ik terug kwam van dodenherdenking

 

Een mooie avond in mei.

Een vette wei.

Een drinkbak .

Een staart om mee te zwaaien.

Een kop om mee te duwen,

tegen de anderen of tegen de bak.

Dit is het leven,

zo moet het zijn.

 

Kijk mij maar niet aan.

Mijn ogen weten.

Hierna is er niets voor jullie.

 

Maar die mooie avond zal altijd blijven.

Ergens.

 

De leeuw lag.

De zon brandde.

De leeuw bleef liggen

 

De leeuw dacht.

“Het is te warm,

ik moet uit de zon.

Ik kan opstaan,

dat kan ik wel,

straks”

En de zon brandde.

 

De leeuw dacht.

“Ik kan ze aan,

die jonge blagen.

Nog wel.

Kwamen ze maar.

Dan stond ik op,

en zou ik brullen.

Het stikt hier van de mieren”

 

De leeuw lag.

Er kwam niemand.

De zon brandde.

En het stikte van de mieren.

 

De zon ging onder.

De mieren gingen slapen.

Het was een goede dag geweest.

 

Voor Marina

 

We hebben haar al een tijd niet gezien.

Het was een leuk kind,

maar je zegt het,

soms wat irritant.

Nu zijn we bang.

Zullen we haar ooit terug zien?

Een misdrijf wordt gevreesd.

 

Er zwierf raar volk om haar heen.

Zouden die haar mee hebben getroond?

Je weet het nooit,

ze was zo

onschuldig.

 

Vieze oude mannetjes waren er bij.

Is ze met heen mee gelopen?

Gewoon, om ze op te vrolijken?

Maar nee, die liepen daar alleen,

wolven die voor lam speelden.

 

IJdeltuiten genoeg in de buurt

Daar hoeven we niet over te praten.

Zelfs de onschuld trapt erniet in,

kletspraatjes.

 

Op een afstand stonden belangrijke lieden,

met grote verantwoordelijkheid op hun nek.

Dat woog zo zwaar,

dat ze niet vooruit konden kijken.

Ze zagen de onschuld niet

 

Maar toen begon het ons te dagen.

Er liepen ook mannen en vrouwen in het zwart.

Ze zeiden dat de onschuld was gestorven,

om hun een plezier te doen,

vastgebonden aan een lichtend kruis.

 

Zoveel onzin werd zelfs de onschuld te veel.

Ze is weggevlogen,

maar wees niet bang,

ze komt terug

 

Een woord zat in een hoekje.

“Was ik maar Kniezen,

want dat doen de mensen”.

“ Nee”, zei een ander woord,

“Kniezen, dat ben ik”

Weer een ander woord wilde troosten,

maar het woord was Achterbaks.

“Geeft niets. Ieder doet zijn eigen ding,

en mijn ding is nu eenmaal groter.”

 

Andere woorden vroegen:

“Wat is jouw ding dan?”

“Tijdverdrijf”

“Niets mis mee, toch?”

“Jawel, het kan niet.

Al jaren zijn mensen bezig,

de Tijd te verdrijven.

en al die jaren zijn weer Tijd.

Het houdt nooit op”

Er klonken morrende woorden.

Als dingen geen dingen meer zijn,

waar hebben we het dan over?

Op zo’n moment moet je als baas ingrijpen.

 

De baas, dat is het woord Woord.

Daar is alles mee begonnen.

“Natuurlijk is Tijdverdrijf een ding,

Het kan bestaan. Het is ons gelukt.

Wij woorden zijn tijdloos.”

Alle vergeten woorden keken blij.

 

De woorden zagen een ding.
Nieuwsgierig snuffelden ze, en ze kwispelden.
Misschien was het wel hun ding,
althans voor sommigen van hen.

Het ding gromde bars,
en alle woorden vlogen weg,
nekharen omhoog.

Op den duur werd het een spel.
Het ding rende achter een woord aan:
“Pak. ik heb je, en dan ben je mijn woord.”

Dan rende een meute woorden weer achter het ding aan
“Hier komen, ons worden, en gauw!”

Ze mochten het ding wel,
er zat tenminste pit in.

Je kon ook met het ding lachen.
Maar pas wel op, het is boos.
Het is de boosheid zelve.

De boosheid is boos,
heeft verder niets nodig.

Nou ja, beter boos dan volgzaam.
Dat woord wordt doof van het laarzengestamp.

Of organisatieontwikkeling,
dat is voor een woord  echt een corvee.

Corvee, dat is ook een corvee.

 

 

 

Jij bent een grote hond,

ik ben een kleine mens,

en wij lopen altijd samen.

Jij weet hoe ver we mogen,

en dan draaien we om.

Jij gaat liggen, ik ga liggen,

met mijn hoofd op je buik.

 

In mijn bed is ook een hond.

Daar mag je niet op liggen.

Dan gaat hij stuk.

Het is een knuffel.

 

Zo zit het dus.

Jij bent een hond.

Knuffel en ik niet.

Hoe kwam ik daar achter?

Weet ik niet meer.

 

Nu ben ik een groot mens.

Ik lijk niet eens op een hond.

Zeggen ze.

Mooi laten kletsen.

 

In het begin was het woord lief,

en dat bleef het.

Het was een lieve lust, zo liefde het.

 

Jammer dat het niet zo ging.

 

Liefen is geen werkwoord, lieven ook niet.

We kunnen niet thuis komen, moe maar voldaan:

“Goed geliefd vandaag”.

 

Het is geen werk, maar het is wel nodig.

En er is niemand die je vertelt hoe.

De school leert je alles voor het latere leven,

en de liefde is voor achter het fietsenhok.

 

Liefde, je was beter nooit een woord geworden.

In een woord lig je vast, en dan lopen ze met je weg.

Ze plakken je op iets anders, zetten je in een boek.

 

Als je dan maar weg gaat smijten ze weer andere woorden:

“aanstootsteen!”, “zedenrot!”,  Wees maar blij,

het is nog  geen rotte vis is, of stenen.

En je wilde alleen maar lief zijn.

 

Woorden worden niet graag gesmeten,

Maar als  we heel voorzichtig zijn,

mogen we dan zachtjes tegen  iemand

“je bent lief” zeggen?

 

 

 

 

Ik verlang iets.

Wat voor iets?
Ik weet het pas
als ik het krijg.

Dan is iets iets.
Zonneschijn, bloesem, vrijen,
zeg het maar.
Verlangen is dan weg.
Het is niet meer iets.

Ik wil verlangen verlangen,
dan mag ik het houden.

We hebben dingen samen.

Gelukkig maar,

we zijn toch vader en zoon.

 

Ik kan je vertellen

over de heide,

de beek met ijsvogels,

een grafheuvel voor een koning.

 

Je knikt, glimlacht,

Je was daar ook vaak,

met mijn moeder.

 

Mooie herinneringen,

maar ze zijn voorbij.

 

Je wilt ook lezen wat ik lees

maar je valt steeds in slaap

met je hoofd op het boek.

 

En dan ineens: lepelaars!

Gewoon hier bij het veer.

Wil het je vertellen, schrik,

want je bent er niet meer.

 

Maar je blijft me verbazen.

Ik bekeek een mooi platenboek,

over vogels natuurlijk,

en jij was er ook.

 

We groeien uit elkaar,

en weer naar elkaar toe,

ook al leef ik,

en jij niet meer.

Voor mijn muze

 

Ons Mam is boos

Ons Juf is droef

Ons heeft drie voor taal.

 

Ons Mam zegt: “Lees!”

Ons vraagt: “Wat?”

Ons Mam zegt “Boek!”

 

Ons leest boek

Ons denkt: “Computer!”.

Ons Mam kijkt.

 

Ons leest boek.

Ons zegt: “Klaar”

Ons Mam zegt “nietes”

 

Ons leest boek.

Ons wordt vol.

Ons wordt woorden.

Ons wordt boek.

Ons wordt Bieb.

 

 

Voor Lian

Een dichtopdracht,
is als een appel,
en een ei.

De muziek jubileert:
een kwatrijn spuit er uit
als uit een gesprongen waterleiding
bij invalllende dooi.

Het dorpshuis wordt opgefleurd,
met nieuwe frisse kleuren!
Daar zit veel werk aan.
Dat wordt wel een sonnet.

Maar nu komen ze aan,
met mijn band met de Rijn.

Dit keer en vormvrij vers.
Probeer haar vooral niet in te dammen.

Ik ben naar haar toegegaan,
om te vragen hoe zij ons ziet.

Ze is vlak bij,
en ik zie haar graag.
Onze relatie is me nooit diep genoeg.

” Hoe zie je mij?”

“Als je op de pont staat heb je haast.
Dan heb je geen oog voor me”

“Dat valt wel mee.
Ik zie best
dat je elke dag anders bent”

“En laatst liep je op de zomerdijk
Je mompelde en zag niets.
Ik dacht nog,
pas op, je glijdt zo uit.
Je bent de jongste niet meer!”

“Toen liep ik te piekeren”

“Waarover?”

“Ik weet het niet eens meer”

“Maar soms sta je op een krib,
s’ochtends vroeg of s’avonds laat.
Je bent dan één en al oog.
Daar wordt ik soms verlegen van.”

“Dan zie ik meestal ijsvogeltjes,
maar ik sta er vooral voor de bevers.”

“Wat moet je nou met bevers?
Ruw volk, ze maken veel rommel.”

“Ja, maar ik zie ze hier voor het eerst.
Soms denk ik dat ik hun staart hoor flappen.
Maar dat ben jij, die een golf maakt.”

“Hi hi, en daar trap jij altijd in.”

Kleine dichter kijkt naar grote dichter

als het er echt op aan komt.

“Er zou een Ode aan de Woorden moeten zijn,

maar die heb jij toch al wel geschreven?”

 

En ja, grote dichter heeft odes geschreven

over alle elementen van het leven:

het koper, het atoom,

de tijd, het licht,

en de triestheid.

En ook over de kleren

de elke morgen

trouw op ons wachten,

nadat we ze s’avonds

slordig op een hoopje hebben achtergelaten.

 

Maar geen Ode aan de Woorden.

Wel een Ode aan het Woordenboek,

Maar dat is tochjuist  hun gevangenis!

 

“Dat kun je toch niet maken!

De woorden zijn nog trouwer

dan de kleren.

Je kan er alle dingen in opbergen,

en als je er iets anders in wil stoppen,

dan vinden ze het ook goed!”

 

Kleine dichter zag een Grote taak, en ging zitten

Voor een Ode aan de Woorden.

 

“Woorden zijn toch prachtig!

Ik noem maar wat.

Wie wordt niet verleifd op het woord  ‘wietie’

afkomstig uit het rotwelsch.

Daar hebben ze één woord

voor ‘eerlijk’ en ‘dom’.

Zo ziet men dat in rotwelsch.”

 

Ja woorden zijn prachtig, maar voor de Ode

liet geenéén zich vangen.

En kleine dichter zat daar  maar.

 

Er floot een tjiftjaf, die geen woord nodig had

om te zeggen wie hij was.

Daar zit een gedicht in!

En hij zag toen ook,

dat de meidoornhaag al rood kleurde.

“Als ik ga wandelen

heb ik zo een bundel bij elkaar”

 

Maar voor de Woorden kwamen geen woorden.

Zou zelfs een kleine dichter ze verlegen maken?

 

Woorden zijn net mensen.

Glibberige gluipers.

Je weet nooit of ze hun eigen stem gebruiken,

of meepraten met de rest.

De grootste gladakker is “lust”.

 

Toen we heel jong waren kwam lust alleen,

en vaker nog kwam lust niet.

Heel soms schaftte de pot dan wat anders

 

Met een klap ontwaakten ineens al onze lusten.

Ze wilden veelstemmig maar één ding.

Was dat nou alles?

 

Pas veel later waren we uitgewoed.

Sindsdien nog slechts ware schoonheid.

Geen oog meer voor lust, maar

een lust voor het oog,

dat ook wat wil.

 

Welk oog? Het linker, het rechter?

In haar eentje ziet het oog geen diepte,

niet het hele plaatje…

 

En nou hoor ik ook nog dat één plaatje meer zegt

dan tien duizend woorden.

Daar beginnen we mooi niet aan,

aan plaatjes.

 

 

 

 

Zoek je je wortels?

Ik hoop dat je ze niet vindt.

Wortels kun je zien bij bomen,

na een storm,

als het voor hen afgelopen is.

 

Wortels die je gevonden hebt,

steken doelloos in de lucht.

Wortel schieten, dat is een kunst,

maar het is niet makkelijk te leren.

 

Stap één: blijf altijd staan,

waar je ooit stond.

En als je dat niet wilt,

Leer dan liever fladderen.

 

Ik wilde een gedicht voor je schrijven,

zoetgevooisd als een nachtegaal.

O.K., een merel is ook goed.

Een nachtegaal, dat is te veel gevraagd.

 

Maar nu zijn alle vogels weg,

je hoort alleen geknal op straat,

en mijn hoofd is vol gedonder.

 

De merels  zingen weer,

maar mijn oren tuiten nog na.

 

Ik kan niet horen wat ik je wil zeggen.

Werd het maar eens stil.

Ik wil een gedicht voor je schrijven,

 

 

 

Blauwe reiger.

Een zilverreiger in een boom.

Futenfamilie, de kinderen worden groot.

Twee haviken hebben ruzie.

 

“NIet veel bijzonders”, zeg ik terwijl ik kijk

naar de modder die naar binnen is gelopen.

“Waar is de dweil”.

 

Niet veel bijzonders.

Alsof ik het allemaal zelf heb bedacht.

Een roestbruine kop met een oranje voorhoofd,

daar kom je toch niet op?

 

Vanochtend kwam de zon op als een sikkel.

De nieuwe maan zat er voor  maar die  konke  zien

Ik heb geen zin om uit te zoeken hoe dat werkt.

Ik liep door de weilanden tot ik de rode sikkel rond zag worden.

Ik zag van alles waar ik normaal langs heen raas.

Als er geen krant was, geen lijn naar buiten,

zou het leven dan zo simpel zijn?

Vanmorgen regende het.

Nu komt de zon voorzichtig door.

Ik ga naar het bos, je wilt toch naar buiten

als je vrij hebt, en het is mei.

 

De vogels zingen

zoals ze zingen

na een regenbui in mei.

Dan ruik je beter wat er bloeit,

ruik je volop fluitenkruid.

 

Ik voel me lekker en droevig.

 

Er waren lentes

toen ik nog niet dacht

aan dingen die voorbij gaan.

 

Nu zie ik dat het fluitenkruit

al zaadjes heeft gemaakt

voor later.

 

Een jonge ekster

zit plomp en verloren,

is ineens het nest uit.

 

Ik kom langs een plek

waar ik jaren geleden

mijn hondje voor het laatst zag.

 

Jaren eerder werd ik, verderop,

verliefd op een meisje, dat riep:

“pak me dan, als je kan.”

 

Wat komt er nu nog?

Lekker, en droevig, en dan?

Ik wilde een stil gedicht maken,

maar de woorden klonken de stilte weg.

Wat kan ik dan maken?

Muziek klinkt nog meer,

en schilderkleuren kunnen schreeuwen.

Dan zullen zachte kleuren vast geluid maken.

 

Wat je ook doet, weg is de stilte.

 

 

Ik zag zonlicht op water kaatsen.

Het licht kon het water niet in,

maar je kon wel zien dat het mooi was.

 

Misschien kan ik dan een licht gedicht maken,

dat de stilte laat klinken.

 

Ik moet alleen nog vinden:

woorden als zonnestralen.

Poes deed het voor.
Na al die seizoenen buiten
achter op het het land
nog twee dagen in de zon
van de eerste straal
tot de laatste
en toen viel hij s’nachts
van zijn kussen.

Klaar.

Zou ik dat kunnen?
Of moet ik eerst opgesloten,
afgesponst,
niet meer weten wie die anderen zijn
en wie ikzelf ben?

Nee, dat moet ik niet.
Maar nou kan ik het poes niet meer vragen
hoe het moet.

Ik ben niet waar ik vandaan kom

Ik ben niet wat ik ben geweest.

Ik ben ook niet die ander,

die anderen kennen.

 

Heel even ben ik.

Dan denk ik :

‘Ik moet daar heen!

Zo meteen!

En dan ben ik gevlogen.

 

Het is lastig hier en nu te zijn.

Vooral op een vliegveld.

Het is een zilveren lichte, het is een maanlichte

het is een maanvolle nacht

het is volle maan

 

Wie ben jij

als je vol licht bent

wordt je nieuw

en als je nieuw bent

is het weer donker

 

 

zie ik alleen

je schijngestalten?

Ik harkte oud blad .

Ineens zag ik   je.

Je stak je kop net boven de grond,

Maar je bloem schemerde al door.

 

Je was nog zo jong, dat ik dacht

dat ik wel indruk kon maken.

“Zou je dat wel doen?

Je bent zo pril,

En er zit nog kou in de lucht.”

 

Maar ik had eigenlijk moeten stamelen:

“Je bent er. Eindelijk.

Ik hield het haast niet meer uit.”

 

Elk jaar ben ik bang.

“Stel je voor dat ze niet meer komen.”

“Wie weet er nog goden,

die we gunstig kunnen stemmen?”

 

 

Het is er tijd voor,

Ze zetten een tafeltje erbij in de boekhandel

met boeken over wijn.

Zou er in staan hoe de zon uit het zuiden

in het donker van onze kelder is verworden tot azijn?

 

Straks is al het blad er af,

Wordt het nog nauwelijks dag.

Waar de wijn lag leggen ze:

Tarot, I Ching en de ‘ Kringloop van het Leven’.

Ze denken dat we dat willen lezen,

Als het seizoen verdort.

 

Ze hebben gelijk, ik koop en blader,

zoek naar wijsheid.

 

Maar wat koop ik er voor

als ik onze ouders zie,

op hun breekbare laatste schreden.

 

Of als ik stevige stappen hoor:

de kinderen zijn er klaar voor,

en de wereld wacht op hen,

niet op ons.

 

 

Dan ben ik alleen maar triest,

wekenlang

 

 

 

Voor Everdien

 

We liepen

 

op de hei,

in de lente

 

langs de rivier,

in de zomer

 

tot aan de oceaan,

in de herfst

 

nu is het winter,

en je ligt vast

met slangetjes en draadjes.

 

Ik wil zeggen: kom,

we doen gewoon wat anders.

Sta op.

Je bent beter.

We gaan weer naar de hei

 

Maar je kunt het niet dwingen,

net zo min als de lente.

Ik ben een man en ik heb er zin in.

Mijn soepel lijf springt rond in de zon.

Alle meiden in de weide omtrek kunnen me horen:

“Ik maak jullie allemaal zwanger.

Maar maak je niet druk:

je spuit straks gewoon je dril in de modder,

dat zoekt het verder zelf wel uit.”

 

Ik ben een man maar ik ben geen kikker.

Ik doe het met dure kleren, als ik durf dure geuren.

Maar te veel geluid vind ik onbeschaafd,

en we zitten twintig jaar om ons dril in de zorg.

 

Als ik in dit leven erg mijn best doe

mag ik dan als kikvorsman terugkomen?

 

Kiekeboe, wat ik doe doe jij ook.

Maar jij bent grijs, dasje jasje,

je kijkt door het treinraam naar buiten,

ziet in het donker alleen de binnenkant.

 

Goed dat ik het nooit heb geweten.

Als grote mensen verklede kinderen zijn,

wie gelooft er dan nog in Kaas Vaak?

 

Rijdt zo’n trein nou braaf door,

omdat zijn dienst zo geregeld is?

Ga jij verder naar het eindpunt,

en ben je er dan geweest?

 

Of maken we onszelf zelf maar wat wijs

als we denken dat de trein rondjes rijdt,

door naar een begin?

 

En wil ik het wel weten?

 

Voor Rijanka

 

Ik loop in het bos met een lief.

Vocht van de mist druipt langs de laatste bladeren.

 

Het was net zulk weer toen jij stierf,

en je bent er weer even.

 

Je was een meisje dat graag vogels keek,

maar voor mij was je  niet een milde moeder.

 

Het meisje dat vogels kijkt loopt met ons mee.

Je zult wel altijd ergens in mijn hoofd blijven.

Lief vertelt

van knoestige boeren en vrolijke knechten

die haar vooraf gingen

en nu nog achter haar aan lopen.

 

Het wordt een menigte in het bos.

We voelen ons ingewikkeld

door jullie gemaakt.

 

Lief en ik nemen stiekem een zijpad,

hopen dat jullie het niet zien

door de mist.

 

Dit is mijn pruim

Ze heet Claude, en ze is reine.

Nooit had ik een lief

zo vol beloften.

 

Haar bloemen zijn blanker

dan de avond die valt.

Bij dat beeld voel ik tranen

in de herfst.

 

Er komt een herfst

waar geen bloesem op volgt.

Vertellen die tranen me nu

dat ik dat weet?

 

Je bent een jaar verder

op weg naar die tranen.

Zal ik je waarschuwen

dat je stil moet blijven staan?

 

Jij trapt daar toch niet in.

Ik zou het ook niet willen missen.

Het geluk

dat komt met die tranen.

De zomer is afgeruimd,

maar je ziet nog kruimels liggen.

Al zijn de zonnebloemen uitgebloeid,

de zon komt vandaag nog door de mist.

Ik ben verbaasd dat vogels weg zijn

of dat ze er nog zijn.

‘Ik wil jullie niet wegsturen,

maar het is een eind vliegen,

en nu moeten we kale takken haardvuren eerste sneeuwklokjes,

voor jullie terug kunnen komen.”

 

Hoe zie jij mij ?

Een mees van zestig kilo?

fluit je zo hard om me weg te jagen

voor ik alles in de buurt leeg eet?

 

Ik zou je zoveel willen vragen

‘Kan je je moeder nog herinneren,

die eten in je bekje legde?’

‘Herinner je de dag nog

dat je uit het nest werd gezet?’

 

Maar ik weet het wel

ik ben iemand die niemand is.

Jij fluit tegen iemand,

die er toe doet.

Een mees.

 

de koningin zag mij in elk geval niet

op zoek naar een goede plek

voor haar volk.

 

Voor haar heb ik het meeste weg

van een middelgebergte.

Een aardverschuiving bracht haar

van de stenen vloer naar de zachte aarde,

naar een goede plek

voor een hommelnest.

 

We zijn op de zelfde plaats

in een andere wereld

maar toch voel ik me niet alleen

 

 

 

 

 

“Waar wil je begraven worden?”

“waarom wil je dat weten?”

“Omdat ik dan weet wie je bent

 

want we willen terug

naar huis

sinds de eerste schooldag

 

en de zwerftocht gaat door

en we willen terug naar het huis

dat er niet meer is

ons leven lang

 

maar als je dood bent

dan mag je thuis naar binnen

en krijg je thee.”

 

Ik draai zelf en

ik zag levens draaien om mij heen

tot ik draaierig werd.

Een man stond erbij te kijken.

Een monnik?

“Word jij niet draaierig”

“Ach, het is het rad van het leven,

het draait”.

“Maar, eh, draait dat rad voor iedereen?

of heeft iedereen zijn eigen rad,

en wie laat het draaien,

en staat het nooit stil?”

De man glimlachte, en zweeg.

Dat wil ik leren.

“Je moet er door heen kijken
en het potentieel zien”,
zegt de makelaar snel.

Ik zie een speelgoeddier liggen.

Schrikt er nu ergens een kind wakker?
“Ezeltje is niet mee!”

“Maar je bent te groot om te huilen om Ezeltje,
je keek er toch niet meer naar om”.
“Je had hem alleen maar  genomen
omdat het het zieligste beest was
van de hele  winkel.”

“Maar nou is ie alleen”.

Wen maar vast.
Je zult nog veel ezeltjes
en lege huizen achterlaten.

En soms ben je zelf Ezeltje.

voor Liza

 

Mijn boosheid is enorm,

past alleen maar in een heel groot gedicht.

Maar ik ben een kleine dichter.

 

Ik riep heel mijn boosheid bij elkaar

Grote zussen

Klasgenoten

Collega’ s

Het liep al snel vol.

 

“Jullie kunnen er niet allemaal in.

Ik heb maar een klein gedicht.

En als je niet weg wilt gaan,

wacht dan maar tot mijn boosheid een ons weegt.”

 

En daar staan ze dan.

 

Maar ik zie dat niet iedereen er is.

Het lief dat weg ging

De nymf waar ik alleen van mocht dromen

 “Blij dat jullie niet zijn gekomen.

Jullie wil ik niet in een boos gedicht.”

 

Heeft iemand nog mooie weemoed over?